Onvolledige inschrijving in KBO maakt vordering niet meer onontvankelijk

Wanneer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) ingeschreven ondernemingen een vordering instellen die gebaseerd is op een activiteit die ze daar niet hebben geregistreerd, kan de rechter hun vordering niet langer onontvankelijk verklaren.

Ondernemingen die een vordering instellen, moeten hun ondernemingsnummer en de registratie in de KBO van de activiteit waarop de vordering is gebaseerd, voorleggen. Wanneer blijkt dat de vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor ze is ingeschreven, kon de rechter de vordering tot nu onontvankelijk verklaren. Als de verweerder deze exceptie bij de start van het proces inriep.

De wetgever maakt hier komaf mee omdat een onontvankelijkheid uiteindelijk weinig zin heeft. De onontvankelijkheid heeft alleen betrekking op de vordering in rechte, niet op de onderliggende rechtsvordering. De onderneming kan dus - van zodra ze haar inschrijving in de KBO heeft geregulariseerd - opnieuw naar de rechter stappen. Wat betekent dat de onderneming eigenlijk heel wat geld en tijd verliest terwijl ze toch opnieuw dezelfde vordering kan indienen. Om die meerkost te vermijden, kan de rechter de vordering voortaan niet meer onontvankelijk verklaren en moet hij de zaak behandelen.

De onderneming is en blijft wel verplicht om haar activiteiten correct te registreren in de KBO. Wie dat niet doet kan een strafrechtelijke geldboete van 26 tot 10.000 euro oplopen.

Tot slot er nog even aan herinneren dat de rechter de vordering wél onontvankelijk moet verklaren als de onderneming helemaal niet in de KBO is ingeschreven en dit ook niet doet binnen de opgelegde termijn. Hieraan verandert niets. 

De nieuwe wet van 2 mei 2019 treedt in werking op 27 mei 2019.

Bron: Wet van 2 mei 2019 tot wijziging van het Wetboek van Economisch Recht wat de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen betreft, BS 17 mei 2019

Wetboek van Economisch Recht (art. III.26 en XV.77)