Tussenkomst sluitingsfonds bij tijdelijke werkloosheid berekend op basis van vast percentage van werkloosheidsuitkeringen

Werknemers in tijdelijke werkloosheid krijgen van de RVA werkloosheidsuitkeringen. Het sluitingsfonds neemt een deel van die uitkeringen ten laste. Vanaf 1 januari 2020 wordt dat deel berekend op een vast percentage van de totale uitgaven voor die uitkeringen, en niet meer op het volledige bedrag.

Tot nu nam het sluitingsfonds 33% van het volledige bedrag van de uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid die de RVA aan de arbeiders uitbetaalt ten laste, voor de bedienden was dat 27%. Die percentages blijven dezelfde maar worden niet meer toegepast op het totale bedrag van die uitkeringen. Wel op een vast percentage daarvan, namelijk op 99,43% van het totale bedrag.

Die nieuwe regeling komt er omdat alle minimumdagbedragen voor de uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid op 1 januari 2020 worden opgetrokken tot het minimumbedrag voor gezinshoofden. Wat betekent dat het sluitingsfonds - zonder aanpassing - geconfronteerd zou worden met een meerkost. Binnen het beheerscomité van de RVA is echter overeengekomen dat de aanpassing van die minimumbedragen niet ten laste van het sluitingsfonds mag komen. Vandaar dat de basis waarop de 33% en de 27% worden berekend voortaan iets onder het totale bedrag van de uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen ligt.

Het nieuwe besluit van 29 september 2019 treedt in werking op 1 januari 2020.

Bron: Koninklijk besluit van 29 september 2019 tot wijziging van artikel 5 van het koninklijk besluit van 23 maart 2007 tot uitvoering van de artikelen 2, 3°, b, 28, § 2, en 53 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, BS 23 oktober 2019

Zie ook:
NAR, advies nr. 2.139 van 16 juli 2019