Tijdskrediet: Raad van State vernietigt terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 van het harmonisatie-KB

Een koninklijk besluit van 20 december 2016 harmoniseert de definities van bepaalde begrippen die worden gebruikt in het pensioenstelsel voor werknemers en stemt ze af op de wijzigingen in de tijdskredietregels die per 1 januari 2015 zijn doorgevoerd. Deze harmonisatie is ook met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 van toepassing. Tegen dit besluit werd bij de Raad van State een voorziening ingesteld, met name tegen deze terugwerkende kracht.

De klacht van verzoekers betreft de terugwerkende kracht van het bestreden besluit tot 1 januari 2015. Hierdoor komen werknemers die jonger zijn dan 60 jaar en die vóór de bekendmaking van het bestreden besluit (met name op 17 januari 2017) voor een landingsbaan hebben gekozen, voor de berekening van hun pensioen niet in aanmerking voor een gelijkstelling van de periodes van inactiviteit op basis van het normale fictieve loon, voor de periodes waarvoor de eerste aanvraag voor onderbrekingsuitkeringen na 31 december 2014 ingaat, behalve wanneer zij een zwaar beroep uitoefenen of werkzaam zijn in een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering.

De Raad van State is van mening dat de terugwerkende kracht van het KB van 20 december 2016 het vertrouwensbeginsel schendt ten aanzien van werknemers die na 31 december 2014 maar vóór 17 januari 2017 hebben gekozen voor een eindeloopbaanregeling, terwijl zij niet konden voorzien dat de grondslag voor de berekening van hun pensioen met betrekking tot gelijkgestelde perioden van inactiviteit op een voor hen minder gunstige wijze zou worden gewijzigd.

Deze werknemers aan het einde van hun loopbaan hebben "legitiem de keuze gemaakt om hun loopbaan aan te passen en te kiezen voor een verkorting van hun arbeidstijd, op basis van de bepalingen die van kracht waren op het moment dat zij deze keuze maakten, tussen 1 januari 2015 en de publicatie van het bestreden besluit" (vrije vertaling). Door te wachten tot eind 2016 om de betwiste wijzigingen aan te brengen, heeft de regering "bij de betrokken werknemers gewettigd vertrouwen gewekt in de grondslag die voor de berekening van hun pensioen zou worden gehanteerd, terwijl er geen ernstige redenen worden aangevoerd om terug te komen op die erkenning" (vrije vertaling).

Artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 december 2016 wordt aldus nietig verklaard voor zover het gepaard gaat met een terugwerkende kracht en vóór zijn publicatie uitwerking heeft "voor de perioden met recht op onderbrekingsuitkeringen zoals bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 waarvoor de eerste aanvraag voor onderbrekingsuitkeringen (?) ingaat na 31 december 2014".

Bron: Conseil d?Etat, arrêt n° 249.150 du 4 décembre 2020

Voir aussi :
Arrêté royal du 20 décembre 2016 modifiant les articles 24bis, alinéa 1er, point 9 et 34, § 1er, O, de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, en matière de périodes de crédit-temps pour fin de carrière, M.B., 17 janvier 2017 (art. 1er, 5° et art. 3)