Geen langdurige gesloten begeleiding meer mogelijk voor jeugddelinquenten onder de 16 jaar

Het Grondwettelijk Hof vernietigt 2 bepalingen van het Vlaams Decreet Jeugddelinqentie van 15 februari 2019. Het is voortaan niet meer mogelijk om in uitzonderlijke omstandigheden een langdurige gesloten begeleiding op te leggen aan een jongere die op het moment van de feiten nog geen 16 jaar was. De term ?uitzonderlijke omstandigheden? vindt het Hof te vaag geformuleerd en zet de deur open voor willekeur. Daarnaast schrapt het Hof ook de verplichte volgorde in de factoren waarmee de jeugdrechter rekening moet houden bij zijn beslissing om een maatregel of een sanctie op te leggen.

Beperking van de langdurige gesloten begeleiding

Een langdurige gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling is in principe enkel mogelijk voor jongeren die minstens 16 jaar waren op het moment van de feiten. Die langdurige begeleiding kan maximum 2, 5 of 7 jaar duren.

Het Jeugddelinquentiedecreet voorzag een uitzondering op de leeftijdsvoorwaarde 'in uitzonderlijke omstandigheden'.

De maximumduur van de begeleiding was korter voor die uitzonderingsgroepen.

Jongeren die minstens 12 jaar, maar jonger dan 14 jaar waren, konden een gesloten begeleiding van maximum 2 jaar krijgen.

Jongeren die minstens 14 jaar, maar jonger dan 16 jaar waren, konden een gesloten begeleiding van maximum 5 jaar krijgen.

Het Grondwettelijk Hof vindt de voorwaarde 'in uitzonderlijke omstandigheden' te vaag omschreven. De bepaling botst daarom met het wettigheidsbeginsel. Het wettigheidsbeginsel is een belangrijke bescherming tegen willekeur van de rechter. Het moet de jongere toelaten om te weten wat de mogelijke gevolgen zijn op het moment dat hij strafbare feiten pleegt. Dat is hier voor de jongere tussen 12 en 16 jaar niet het geval. De uitzondering voor jongeren onder de 16 jaar is daarom in zijn geheel vernietigd.

Schrapping van de verplichte volgorde

Bij zijn beslissing over het opleggen van een maatregel of een sanctie aan de minderjarige, moet de jeugdrechter rekening houden met een aantal factoren. Het Jeugddelinquentiedecreet bepaalde niet alleen die factoren, maar legde ook de volgorde van belangrijkheid op.

De jeugdrechter moet bij zijn beslissing rekening houden met:

de ernst van de feiten, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer;

de persoonlijkheid en maturiteit van de minderjarige;

de recidive of het risico daarop;

de veiligheid van de maatschappij;

de leefomgeving van de minderjarige;

de veiligheid van de minderjarige.

Het feit dat de persoonlijkheid, de maturiteit, de leefomgeving en de veiligheid van de minderjarige maar op de 2de, 5de en 6de plaats staan, botst zowel met de Grondwet als het Verdrag inzake de rechten van het kind.

Beiden bepalen dat het belang van het kind de 1ste overweging moet zijn bij elke beslissing die over een minderjarige genomen wordt.

Voortaan moet de jeugdrechter nog steeds met dezelfde factoren rekening houden bij zijn beslissing, maar de verplichte volgorde van belangrijkheid is door het Grondwettelijk Hof vernietigd.

Bron: GwH nr. 22/2021, 11 februari 2021.

Zie ook:
Decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht
Geraakte artikels:
Decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, art. 16 §1 (?overeenkomstig de opgesomde volgorde?) en 37 §1, 2de lid, §4